INHOUD
KORTE BESCHRIJVINGHet woord "etsen" is afkomstig van het Duitse "ätzen" dat "doen eten" betekent. Het is een proces waarbij een tekening in metaal wordt uitgebeten door een zuur met het doel er een afdruk van te maken.
SOORTEN DRUKTECHNIEKENDe techniek van het etsen hoort thuis bij de diepdruktechnieken. We kunnen een viertal druktechnieken onderscheiden:
DE VERSCHILLENDE DIEPDRUKTECHNIEKEN
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(=F:pointe seche,
E:dry point, D:Kalte Nadel). |
![]() |
![]() |

(="zwarte kunst",
F:manière noir, E:the black art, D:Schwarzkunst)
Dit is ook een "droge techniek" en dus geen
ets-procédé. De plaat wordt met een wiegijzer (of een
ronde vijl, alias rattenstaart) ruw gemaakt zodat de plaat een
volledig zwart gekorrelde afdruk zou geven. Dan worden met
schaafijzer en schrapers zones terug glad gemaakt. De zwarte partijen
worden ook nog met drogenaald of burijn bijgewerkt. De ruwe delen van
de plaat houden de inkt vast, de gepolijste delen niet. Men werkt van
zwart naar wit en zo is een mezzotintprent dan ook meer donker dan
licht, vanwaar de naam "zwarte kunst" komt. Het uitzicht is
fluweelachtig zoals bij de drogenaald.
Met pons (= F:poinçon, E:punch) en hamer slaat men kleine of grove punten in de gepolijste plaat. De tekening wordt opgebouwd uit punten van verschillende grootte en afstand tot elkaar.
(= F:eau-forte, E:etching,
D:Radierung)
Deze techniek is ontstaan in het begin van de 16de eeuw en werd in de
boekdrukkunst gebruikt om tekeningen te reproduceren. Hiermee konden
veel fijnere prenten gedrukt worden dan met de daarvoor gebruikelijke
houtsnee. Hieronder volgt beknopte uitleg over het maken van een ets.
Een plaat koper (1,2
a 2mm) of zink wordt vlak gepolijst. De randen van de plaat
worden mooi rond gevijld. De plaat wordt
vernist met etsgrond (kogelvernis). Deze bestaat meestal uit
bijenwas en harsen. De etsgrond wordt
berookt met een kaars. Het roet zet zich vast op de vernis
en maakt de plaat matzwart. Daardoor zijn de lijnen tijdens
het tekenen beter zichtbaar. Met een stalen
stiften en puntige naalden grift de kunstenaar de tekening
in de etsgrond zodat het onderliggende metaal zichtbaar
wordt. Nadat ook de
achterkant van de plaat is afgedekt met vernis wordt de
plaat geëtst in een bad met etswater. Dit kan
salpeterzuur zijn, ijzerperchloride of een mengsel met
zoutzuur en kaliumchloride. Tijdens het inbijten met
salpeterzuur moeten de gasbelletjes die ontstaan met een
veer worden weggeveegd. Om lijnen van
verschillende diepte te etsen worden de lijnen die al diep
genoeg zijn afgedekt met vernis en de plaat wordt verder
geëtst. De diepte van de lijnen wordt gecontroleerd
door te voelen met een fijne naald. Een andere methode om
verschillende dieptes te bekomen is de lijnen die het diepst
moeten worden eerst te tekenen, en na een etsbeurt lijnen
bij te tekenen en opnieuw te etsen. De eerst getekende
lijnen worden zo verschillende keren geëtst en dus het
diepst. Na het etsen wordt de etsgrond afgewassen met
terpentijn of petroleum.




Zie verder voor het maken van afdrukken
van de ets.

Er bestaan 2 werkwijzen om
een ets in kleur te bekomen.
1) De etsplaat wordt na het ininkten met zwarte inkt met
verschillende kleurinkten bestreken. Bij het afdrukken liggen de
kleuren onderaan en daar bovenop de lijnen in zwarte inkt.
2) Er worden 3 verschillende platen gemaakt voor elke hoofdkleur
(geel, cyaan, magenta) en eventueel nog een vierde voor zwart.
Een derde manier is het kleuren van een afdruk van een gewone ets
maar dit wordt als een "twijfelachtige" techniek
beschouwd.
(=zachte vernisgravure,
F:vernis-mou, E:soft ground, D:Durchdruckverfahren)
Dit is een ets-procédé, waarbij de metalen plaat met
een zachte kleverige vernis (samengesmolten vet en kogelvernis) wordt
bedekt. Daarop wordt een fijn- of grof gekorreld papier gelegd waarop
men tekent met een hard potlood. Daardoor kleeft het papier aan de
vernis vast. Verwijdert met het papier, dan trekt men die vernis er
op die plaatsen af en komt het metaal op die plaatsen bloot te
liggen. De etsplaat kan nu met zuren geëtst worden. De prent
lijkt op een krijt- of potloodtekening. Dit komt door de struktuur
van het papier die korrelige gebroken lijnen geeft.
(=potlood- of pastelmaniet,
F:manière crayon, E:crayon method, D:Crayonmanier)
Dit is een etsprocédé waarvoor een met etsgrond bedekte
gepolijste koperen plaat wordt gebruikt. De tekening hierop wordt
overgebracht door te calqueren met punteerinstrumenten. Dat is
gereedschap dat een ruwe, onderbroken lijn geeft. Meest gebruikt is
de mattoir met zijn puntige, gekorrelde of knoestige
onderzijde. Daarnaast werd ook een roulette (rolletje met
uitstekende puntjes) gebruikt. Op de plaats waar op de plaat werd
gedrukt kwamen vele kleine puntjes in het koper bloot te liggen. Deze
werden nadien in zuur geëtst.
De afdrukken lijken op een krijt- of pasteltekening. Om daar nog meer
op te lijken wordt soms inkt gebruikt met de kleur van rood krijt.
Het is een oude reproductietechniek (18de eeuw) die thans haar echte
betekenis verloren heeft.
(=watertint, It:aqua tinta,
F:aquatinte, E:water tint, D: Aquatinta)
Om fijne grijstinten te kunnen drukken wordt hier harspoeder op de
plaat gestoven en vastgesmolten. Het zuur zal dan alleen het metaal
rond de harskorreltjes wegvreten waardoor er een zekere ruwheid
ontstaat. Door de etsduur te varieren zullen deze zones meer of
minder donker afdrukken. De naam aquatint is ontstaan omdat de
techniek aanvankelijk werd gebruikt voor het imiteren van een
gewassen pentekening..

Er zijn nog een aantal alternatieve manieren bedacht om tinten of halftoonwaarden te creëren:
(= F:gravure
pointillé, E: stipple engraving, D: Punktiermetode)
Op een verniste plaat worden puntjes gezet met naaldpunten en de
roulette (wieltjes bezet met punten). Prenten met deze techniek
hebben een zacht-week karakter en zijn zoetvloeiend in de lijn. Veel
toegepast in Engeland in de 19de eeuw.
De plaat wordt
ingeinkt. De inkt wordt in de lijnen geduwd met de hand en
met een leren tampon. De overtollige inkt
wordt verwijderd met proppen van "tarlatan" (een soort
gaas). Het met de palm van
de hand wordt de plaat "blank geslagen". Dit moet zodanig
gebeuren dat er nog wat inkt achterblijft op de niet
verdiepte gedeelten, anders bekomt met een te "koude"
afdruk. De randen van de
plaat worden zorgvuldig inktvrij gemaakt. De ingeïnkte
plaat wordt zorgvuldig op de tafel van de drukpers
gepositioneerd. Daarop wordt het nat gemaakte papier gelegd
en daarbovenop een vilten doek (feuter) Alles wordt samen
tussen de cilinders van de diepdrukpers gedraaid. Door de
druk gaat het wakke papier tot in de groeven van de plaat en
neemt daar de inkt op. Daarna wordt het papier voorzichtig
verwijderd en gedroogd.






![]()
![]() |
![]() |
|
|
|
![]() |
![]() |
|
|
|
Het aantal afdrukken per oplage hangt af van persoonlijke overwegingen. In ieder geval zal het afhangen van het aantal identieke afdrukken dat mogelijk is. Een droge naald-oplage zal 8 tot 15 eksemplaren tellen, een ets kan tot 75 à 100 oplopen. Door de oppervlakte van de etsplaat te 'verstalen' (bvb chromeren) kan men een praktisch onbeperkte oplage trekken. Na het drogen van de drukken worden de identieke eksemplaren uitgezocht. Ze worden elk afzonderlijk genummerd als deel van een totaal. Zo zal de tiende druk van een oplage van vijftig als volgt genummerd worden: 10/50. Meestal staat het nummer links onder de prent, de titel in het midden en de handtekening van de maker rechts, eventueel met toevoeging van de datum waarop de afdruk gemaakt werd. Met zijn handtekening (in potlood) bevestigt de kunstenaar dat hij de maker is van de gravure, de afdruk heeft gezien, en het geheel voor "echt en goedgekeurd" verklaart.
De manier waarop een prent gepresenteerd wordt, is zeker niet onbelangrijk. Slechte presentatie doet te kort aan de kwaliteiten van de prent. Aan de andere kant heeft een perfecte presentatie een zeer flatterend effekt. Meestal wordt een grote hoeveelheid wit gelaten buiten de afdruk. Links en rechts moet er evenveel wit zijn. Boven de prent zal het wit altijd wat kleiner zijn dan aan de onderkant en als mogelijk even groot als dat aan de zijkanten. Als het wit boven en onder even groot is, lijkt de prent topzwaar en onevenwichtig. Als de prent met inachtneming van deze regels is afgedrukt, kan zij met scheprand en al onverminkt achter glas gezet worden. Wordt de prent in passe-partout gezet, dan geldt wat de randen van de passe-partout betreft hetzelfde als voor de verdeling van de witranden zoals hierboven vermeld. De grootte van de passe-partout is afhankelijk van de grootte van de ets. Maakt de ets deel uit van een serie andere etsen, dan kan de buitenmaat van de passe-partout best steeds gelijk gehouden worden. De binnenmaat moet groter zijn dan de prent zelf, zodat de randen van de afdruk duidelijk zichtbaar zijn. Om nummer, titel en naam duidelijk zichtbaar te houden wordt de onderrand van de binnenmaat ruimer uitgesneden.